Inleiding – verwerking na wiegendood

Wiegendood is de laatste jaren sterk afgenomen; in Nederland van 220 baby’s in 1984 tot 25 baby’s in 2000 (0.12/1000 levend geboren baby’s) en 34 baby’s in 2001 (0.17/1000 levend geboren baby’s) (CBS, 2002). In België is de incidentie eveneens gedaald, zij het wat later en wat langzamer. In 1994 overleden in het Vlaams  prekende gedeelte van België 104nbaby’s en in 2000 43, wat neerkomt op ongeveer 0.5/1000 levend geboren baby’s (Kind & Gezin, 2002). De belangrijkste factoren die van invloed zijn op deze daling is het toegenomenpercentage baby’s dat op de rug slaapt, de afname van het dekbedgebruik en de reductie van het roken tijdens en na de zwangerschap (L’Hoir, 1998). Andere belangrijke factoren zijn de wijze waarop het bedje wordt opgemaakt (feet to foot) waardoor de kans verkleint dat de baby onder het beddengoed terechtkomt, het voorkomen van samenslapen met baby’s jonger dan 4 maanden, en het toepassen van de preventiemaatregelen op kinderdagverblijven (De Jonge e.a., 2002).

In 1989 werd in het Wilhelmina Kinderziekenhuis onder auspiciën van Prof. W.H.G. Wolters een zogenaamde wiegendood-polikliniek opgericht. Dit betrof een samenwerkingsverband waarin specifieke kennis en technische vaardigheden werden gecombineerd van de afdeling Algemene Pediatrie, de Intensive Care, de afdeling Pathologie en de afdeling Medische Psychologie, destijds psychosociale afdeling geheten. De taken van het samenwerkingsverband omvatten: voorlichting, onderzoek, onderwijs, patiëntenzorg en het onderhouden van de contacten met de Vereniging Ouders van Wiegendoodkinderen.

Veel van deze taken zijn intussen overgenomen door de Stichting Wiegedood. De verkregen kennis en inzichten hebben ertoe geleid dat wanneer een baby tegenwoordig plotseling en onverwacht overlijdt dit niet meer als een ‘mysterieus fenomeen’ wordt beschouwd.

Van verschillende factoren, vaak in combinatie, is bekend dat ze een rol hebben gespeeld bij het overlijden. Dit is van invloed op het rouwproces en de schuldgevoelens, die onmiskenbaar aanwezig zijn bij ouders dieeen jong kind verliezen.