Theoretische achtergrond

Het verlies van een baby confronteert ouders onverwacht met de dood; de dood van een baby die daarvoor in de meeste gevallen volledig gezond was. Het traumatische van de gebeurtenis is niet alleen gelegen in het moment van het vinden van de baby – vaak blauw en koud – maar ook in de gebeurtenissen die
daarna plaatsvinden, zoals het reanimeren, de komst van de politie en ambulance, de pogingen van het ziekenhuispersoneel om het kind te resusciteren en de reacties van anderenachteraf.

Deze gebeurtenissen genereren op zichzelf traumatische stressreacties, zoals repeterende nachtmerries, steeds terugkerende
beelden van het vinden van de baby, angstverschijnselen, slaapstoornissen, afgenomen concentratie, prikkelbaarheid, overgevoeligheid
en het vermijden van activiteiten die herinneringen oproepen aan het trauma.

Dit is overigens volkomen normaal; een ingrijpende gebeurtenis brengt dergelijke reacties teweeg. Pas als deze reacties maanden aanhouden en ouders niet aan herbeleven (wat nodig is om te begrijpen wat er is gebeurd) en vermijden (wat nodig is om niet steeds overspoeld te raken door heftige emoties), toekomen, kunnen zich symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen. Het rouwen om de overleden baby kan geblokkeerd worden wanneer dergelijke reacties
aanhouden en zich een posttraumatische stressstoornis ontwikkelt.

In verschillend onderzoek is getracht de psychologische gevolgen voor de ouders van een acuut verlies als wiegendood te beschrijven.
Dyregrov en Mattheisen (1987) hebben reacties van ouders na een miskraam, neonatale sterfte en wiegendood vergeleken. Angst- en rouwreacties werden één tot vier jaar na het overlijden nagevraagd. Ze gebruikten diverse meetinstrumenten betreffende rouw, depressie, angst, alsmede de schokverwerkingslijst.
Angst en slaapstoornissen kwamen het meest voor bij de wiegendoodouders, met indringende beelden als belangrijkste kenmerk. In flashbacks en nachtmerries bleven de beelden van de gebeurtenis zich aan de wiegendoodouders opdringen.

In een Australisch onderzoek werden wiegendoodouders vergeleken
met dezelfde groepen als hierboven genoemd (Vance e.a., 1991). Twee maanden na het verlies overheersten angstgevoelens bij alle oudersen deze namen in twee jaar geleidelijk af.

De wiegendoodmoeders hadden de meeste en de meest ernstige symptomen; significant meer angst en gevoelens van boosheid, geïrriteerdheid
en onrust, die duiden op een verhoogde waakzaamheid. Bij de wiegendoodmoeders hielden de klachten het langst aan. Depressieve klachten lieten een zelfde patroon zien, maar minder hevig. Wiegendoodouders hadden een groter risico op echtscheiding in vergelijking met de twee andere groepen ouders.
In recent onderzoek vergelijkt dezelfde auteur psychosociale stress van ouders na het verlies van een baby door wiegendood, van jonge kinderen door zelfdoding en van jonge kinderen door ongevallen. De ouders van de laatste twee groepen ervaren meer stress dan de ouders van de wiegendoodkinderen. Bij alle groepen bleek het terechtkomen in een  sociaal isolement de sterkste voorspeller te zijn voor het ontstaan van psychosocialestress (Dyregrov e.a., 2003).